Financieel kader

Financieel vertrekpunt

Voor de bepaling van het beginsaldo van de begroting 2023 en het meerjarenperspectief 2024-2026 wordt voortgeborduurd op eerder vastgestelde documenten.

  • De Programmabegroting 2022: vastgesteld in november 2021.
  • De 3e bestuursrapportage over 2021: vastgesteld in december 2021.
  • De 1e bestuursrapportage over 2022: vastgesteld in juni 2022.

De 2e bestuursrapportage 2022 wordt in oktober 2022 aan de raad ter vaststelling aangeboden. De structurele effecten zijn al wel verwerkt in deze Programmabegroting.  Verder is het gebruikelijk om de gevolgen van de september-circulaire van het gemeentefonds pas later te verwerken. De raad wordt tussentijds wel geïnformeerd over die gevolgen.

Technische richtlijnen 2023-2026

Bij de start van de begrotingscyclus voor het volgende jaar worden richtlijnen voor de technisch-financiële parameters opgesteld. Normaliter leidt een geringe stijging of daling van de indexcijfers in het lopende jaar niet tot een aanpassing van de indexcijfers in het jaar daaropvolgend. In dit geval is echter sprake van een (uitzonderlijke) stijging die doorwerkt naar 2023 en volgende jaren en waarvan we verwachten dat deze stijging niet binnen de huidige budgetten kan worden opgevangen. 
Voor de jaren 2023-2026 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

Loonstijging 5,4%
In de Kaderbrief 2023 bedroeg de raming 2,30%
Verhoging in 2022 op basis van meicirculaire 2022 Algemene uitkering 1,80%
Verhoging in 2023 eveneens gebaseerd op de meicirculaire 2022 1,30%
Te hanteren percentage in 2023 5,40%
Prijsstijging 5,8%
In de Kaderbrief 2023 bedroeg de raming 1,70%
Verhoging in 2022 op basis van meicirculaire  2022 Algemene uitkering 3,40%
Verhoging in 2023 eveneens gebaseerd op de meicirculaire 2022 0,70%
Te hanteren percentage in 2023 5,80%
Index kosten Sociaal Domein 5,4%
In de Kaderbrief 2023 bedroeg de raming 3,37%
Aanvulling op basis van decembercirculaire 2021 1,13%
Verhoging in 2022 op basis van meicirculaire 2022 Aanpassing voor 2023 1,06% 0,08%-/-
Te hanteren percentage in 2023 5,40%

Tarieven gemeentelijke belastingen 5,8%
Dit percentage is gebruikelijk gekoppeld aan de verhoging van de prijsstijgingen.

Rentevoet van 2,5 % voor aan te trekken financieringsmiddelen
De rente is de afgelopen periode aanzienlijk gestegen. Uitgegaan wordt daarom van een gemiddeld rentepercentage van 2,5%. Dit percentage is gebaseerd op de lange-termijn verwachting van de ING, BNG en DNB.

Areaaluitbreiding
Uitgangspunt is de bouw van gemiddeld 450 woningen per jaar en daardoor een stijging van 650 inwoners per jaar; jaarlijks aflopend met 10 inwoners tot 610 inwoners.

Nadere toelichting loon- en prijsstijgingen
Voor de stijging van de lonen en prijzen gaan we uit van de prognoses van het CPB. Daarbij hanteren we de prognoses uit de septembercirculaire voor de Kadernota/Kaderbrief en de prognoses uit de meicirculaire voor de Programmabegroting. Op deze wijze sluiten we zoveel mogelijk aan bij de meest recente prognoses en de compensatie (via de accressen) vanuit deze circulaires. 
Uit de meicirculaire blijkt dat de stijging van de inflatie zich onder meer uit in de door het CPB berekende indexcijfers voor lonen en prijzen. Deze indexcijfers stijgen vanaf 2022. De stijging heeft een structureel karakter en werkt cumulatief door. Voor Veenendaal zijn de budgettaire effecten van de loon- en prijsstijgingen indicatief berekend op € 3.145.000 in 2023, € 4.673.000 in 2024, € 6.032.000 in 2025 en € 7.031.000 in 2026. 

Systematiek meerjarenraming
In de meerjarenraming is tot en met 2022-2025  uitgegaan van een indexering per jaar (op basis van ‘lopende prijzen’). De meerjarenraming 2024-2026 is vanaf dit jaar opgesteld op basis van ‘constante prijzen’. Dit betekent dat het loon- en prijsniveau van 2023 voor de budgetten in de navolgende jaren (2024 tot en met 2026) constant is gehouden. Het meerjarig werken met constante prijzen bevordert namelijk de inzichtelijkheid en vergelijkbaarheid van de cijfers over de verschillende jaren. Daarnaast heeft deze methodiek praktische voordelen en voorkomt het bijvoorbeeld dat jaarlijks aanzienlijke fluctuaties in het meerjarenperspectief ontstaan door de veelheid van wijzigingen van de loon- en prijsindexatie. In budgettaire zin heeft de nu toegepaste methodiek geen consequenties omdat de budgetten voor loon- en prijsstijging meerjarig niet meer over alle budgetten verwerkt worden maar per jaar in een begrotingspost (stelpost) opgenomen worden. Deze methodiek wordt door het merendeel van de gemeenten toegepast.

Opbouw financieel perspectief

In dit onderdeel wordt aangegeven hoe het saldo van de Programmabegroting tot stand is gekomen.

Bedragen x € 1.000 2023 2024 2025 2026
Het meerjarenperspectief na verwerking van de 3e bestuursrapportage van 2021 1.924 1.658 1.754 345
In de Kaderbrief 2023-2026 zijn de volgende besluiten verwerkt
-Parkeerexploitatie 2022-2025 (raad 27/1/2022) 203 176 189
-Kadernota VRU(raad 27/1/2022) 111
-Saldo 1e bestuursrapportage 2022 (raad 23/6/2022) -614 -607 -607 -607
-OPOR voorziening groot onderhoud (raad 25/11/21) -1.370
-Correctie onttrekkingen Alg. Reserve -1.553 -1.409
-Technische richtlijnen 2023-2026 -40 -159 210 -158
Voorlopig saldo na de Kaderbrief 2023-2026 1.584 -485 137 -1.790
Uitkomsten meicirculaire 2022 (zie toelichting) 12.602 17.469 21.272 10.964
Af: reservering loon- en prijsstijgingen -3.145 -4.673 -6.032 -7.031
Saldo na verwerking meicirculaire 11.041 12.311 15.377 2.143
Verwerking Collegebesluiten:
1. Europese aanbesteding beveiliging (31/5/22) -60 -60 -60 -60
2. Saldo 2e bestuursrapportage 2022 (13/9/22) -329 -309 -229 -229
Overige zaken
3. Geactualiseerde technische richtlijnen na de kaderbrief 557 374 165 -133
4. Aanpassing begeleide participatie -200 -267 -240 -62
5a. Realistische raming jeugd -867 -1.699 -1.966 -2.117
5b. Extra Rijksvergoeding Jeugdzorg (25%) 529 489 341
6. Actualisering kapitaallasten -376 -997 -1.317 -2.518
7. Stijging energielasten vastgoed -1.481 -1.481 -1.481 -1.481
8. Volumestijging /aanpassing tarieven WMO -355 -513 -774 -1.039
9. Rentestijging naar 2,5% -368 -614 -1.158 -2.078
10. Zin-budget Jeugd -690
11. Onderuitputting algemene uitkering 500
Saldo na verwerking 7.372 7.274 8.806 -7.233

Toelichting meicirculaire
De meicirculaire 2022 laat voor Veenendaal in de jaren 2023 t/m 2026 een voordelig effect op onze begrotingspositie zien. Dit wordt vooral veroorzaakt door de opwaartse bijstelling van de accressen als gevolg van het regeerakkoord, de extra rijksuitgaven voor vennootschapsbelasting (Vpb), koppeling AOW aan wettelijk minimumloon, inkomstenbelasting Box 3, hogere defensie-uitgaven en de toenemende inflatie. In 2026 ontstaat er een aanzienlijk lager accres t.o.v. 2025 vanwege de afschaffing van de normeringssystematiek (“trap op/trap af”).  
De toenemende inflatie uit zich in de stijging van de loon- en prijsindex zoals die door het Centraal Planbureau is geprognosticeerd. Aannemelijk is dat dit gedeelte van de accressen uit deze circulaire nodig zal zijn voor de prijs- en loonstijging in de komende jaren. Daarom zijn de hogere indexeringen indicatief doorberekend in de meerjarenbegroting.  
Per saldo leidt dit tot het volgende resultaat: 

 

Bedragen x € 1.000 2023 2024 2025 2026
Saldo na verwerking 1e bestuursrapportage 2022 en Kaderbrief 2023-2026 1.584 -485 137 -1.790
Saldo meicirculaire 2022 12.602 17.469 21.272 10.964
Subtotaal 14.186 16.984 21.409 9.174
Saldo loon- prijsstijgingen -3.145 -4.673 -6.032 -7.031
Saldo meerjarenperspectief na meicirculaire 2022 11.041 12.311 15.377 2.143

Uit bovenstaand overzicht blijkt dat het financieel meerjarenperspectief door de ontwikkelingen vanuit de meicirculaire resulteert in een positief saldo in 2023 van € 11.041.000, in 2024 € 12.311.000, in 2025 € 15.377.000 en in 2026 € 2.143.000. 

Nadere toelichting 
De belangrijkste punten uit deze circulaire voor de jaren 2023 tot en met 2026 zijn:  
1. Bijstelling van de accressen 2023 -2026;  
2. Schrappen van de oploop van de opschalingskorting tot en met 2025; 
3. Aanpassing BTW compensatiefonds (BCF); 
4. Invoering van de herverdeling van het Gemeentefonds; 
5. Rijksbijdrage Jeugdzorg 2023.  
 
Hieronder wordt kort ingegaan op de bovenstaande items. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de raadsinformatiebrief over de meicirculaire 2022.  

Accressen 2023-2026
De hogere Rijksuitgaven op basis van het nieuwe regeerakkoord en de vastgestelde voorjaarsnota alsmede de hogere inflatie leveren voor de jaren 2023 tot 2025 een flink hoger accres op. Voor Veenendaal betekent dit een verhoging van de algemene uitkering met € 8.430.000 in 2023, € 14.122.000 in 2024 en € 18.087.000 in 2025. 
In 2026 bedraagt het aanvullende accres € 10.195.000 en is daarmee ca. € 8 miljoen lager dan in 2025. Dit komt omdat vanaf 2026 de bestaande normeringssystematiek wordt losgelaten. Momenteel worden de voorbereidingen getroffen voor een nieuwe stabielere financieringssystematiek voor gemeenten vanaf 2026. Aangezien de effecten hiervan nog onbekend zijn, dient op basis van de huidige informatie rekening gehouden te worden met een aanzienlijke terugval van de inkomsten in 2026. Dit maakt het heel lastig om een meerjarig sluitende begroting 2023-2026 op te stellen. 
Voor de periode 2022-2025 is het volumedeel van het accres vastgezet waardoor het risico van een daling van de algemene uitkering door onderbestedingen bij het Rijk is weggenomen. Wel dient rekening gehouden te worden  met een lagere algemene uitkering vanwege een mogelijke verlaging van de bijdrage vanuit het btw-compensatiefonds en de nog niet verwerkte waardestijging van de woningen in 2021. Hiervoor is een stelpost opgenomen van € 1 miljoen vanaf 2023. 
Ook vanuit de technische mutaties (o.a. uitkeringsbasis, hoeveelheidsverschillen en WOZ-mutaties) zijn in de jaren 2023 tot en met 2026 extra middelen beschikbaar. Het gaat per saldo om € 2.579.000 in 2023, € 2.294.000 in 2024, € 2.174.000 in 2025 en € 2.208.000 in 2026. 

Schrappen oploop opschalingskorting
Het kabinet heeft besloten om deze kabinetsperiode de oploop van de opschalingskorting tot en met 2025 te schrappen. Voor Veenendaal levert dit een incidenteel voordeel op van € 1.462.000 in 2023, € 1.949.000 in 2024 en € 2.450.000 in 2025. Het Rijk gaat ervan uit dat de opschalingskorting vanaf 2026 weer onverkort wordt doorgevoerd, waardoor de inkomsten vanuit de algemene uitkering in 2026 ook door deze mutatie aanzienlijk lager uitkomen dan in 2025 (naast de reeds vermelde terugval van het accres in 2026). Er wordt dan ook gesproken over het “ravijnjaar 2026”. 

BTW compensatiefonds 
Op basis van de afrekening over 2021 zijn extra middelen vanuit het BCF-compensatiefonds toegevoegd aan het gemeentefonds. Op grond van de provinciale richtlijn mag maximaal het bedrag van de laatste afrekening structureel opgenomen worden in de meerjarenbegroting. Conform de bestendige gedragslijn volgen wij deze richtlijn. Voor Veenendaal betekent dit een structurele verhoging van de uitkering met € 440.000.  
Gezien de onzekerheid over de toekomstige ontwikkeling van het BCF en de nog te verwerken waardestijging van de woningen (WOZ) is een stelpost opgenomen (zie hiervoor de toelichting bij Accressen 2023-2026).  

Herverdeling Gemeentefonds 
De nieuwe verdeelmodellen van het gemeentefonds zijn vanaf 2023 verwerkt in deze circulaire. Het herverdeeleffect pakt nadelig voor Veenendaal uit. Het nadelige effect bedraagt structureel € 1.379.000 (€ 21 per inwoner). Voor gemeenten met een zwakke sociale structuur en een lage solvabiliteit geldt een aangepast ingroeipad. Op grond hiervan wordt in de jaren 2023 en 2024 vanuit het Rijk een compensatie ontvangen van resp. € 1.045.000 en € 543.000.  
In de meerjarenbegroting is reeds rekening gehouden met een stelpost herverdeling gemeentefonds van € 500.000. Deze stelpost kan nu vrijvallen. Het totale herverdeeleffect voor onze gemeente is daarmee € 166.000 positief in 2023, € 336.000 negatief in 2024 en € 879.000 negatief in 2025 en 2026.

Jeugdzorg 
Het Rijk heeft voor 2023 extra middelen beschikbaar gesteld ter compensatie voor de tekorten in jeugdzorg. Voor Veenendaal gaat het om een bedrag van € 5.535.000. Hiervan was reeds een bedrag van € 5.010.000 opgenomen in de begroting. Per saldo bedraagt het positieve effect € 525.000. 
Het kabinet gaat de komende tijd met gemeenten en andere relevante partijen verder in gesprek over de Hervormingsagenda Jeugd. De besluitvorming over de extra middelen voor 2024 en verder vindt na deze gesprekken plaats. 

Onderstaand vindt u de mutaties in een overzicht. 

Bedragen x € 1.000 2023 2024 2025 2026
Inkomsten
Gemeentefonds Accressen 2022 t/m 2026 i 8.430 14.122 18.087 10.195
Onderuitputting (BCF, WOZ) i -1.000 -1.000 -1.000 -1.000
Schrappen oploop opschalingskorting (t/m 2025) 1.462 1.949 2.450 -
Afrekening BCF 2021 i - - - -
Stelpost BCF 2022 t/m 2026 i 440 440 440 440
Herverdeling effect i -1.379 -1.379 -1.379 -1.379
Compensatie ingroei i 1.045 543 - -
Vrijval stelpost herverdeel effect i 500 500 500 500
Jeugd coalitieakkoord i 525 - - -
Technische mutaties:
- Ontwikkeling uitkeringsbasis, hoeveelheidsverschillen, verdeelreserve) i 1.926 1.633 1.505 1.531
-WOZ i 653 661 669 677
Subtotaal effect van de meicirculaire op het begrotingssaldo 12.602 17.469 21.272 10.964

Toelichting op de overige punten uit het overzicht

1. Europese aanbesteding
Op 31 mei 2022 heeft het college ingestemd met een Europese aanbesteding voor beveiligings- en receptiedienstverlening, alarmopvolging en surveillance voor gebouwen of locaties. De ingangsdatum van een nieuwe overeenkomst is 1 februari 2023. Er wordt rekening gehouden met een structurele kostenstijging onder andere vanwege de stijging van de loonkosten in 2022 voor de beveiligers. In deze begroting is de verwachte kostenstijging, ad € 60.000 op jaarbasis, verwerkt

2. Saldo 2e bestuursrapportage 2022
In de raadsvergadering van 13 oktober 2022 wordt de 2e bestuursrapportage 2022 vastgesteld. De structurele financiële consequenties vanuit deze bestuursrapportage zijn in de Programmabegroting verwerkt. 

3. Geactualiseerde technische richtlijnen
Dit betreft het saldo van alle aanpassingen vanaf het moment van de Kaderbrief 2023-2026. Zie ook punt II hiervoor.

4 . Aanpassing begeleide participatie
Via een integratie-uitkering ontvangen we vanuit het Rijk middelen voor de uitvoering van de begeleide participatie. In de begroting worden deze middelen gekoppeld aan de (uitgaven) budgetten voor begeleide participatie.
Dit geldt ook voor de jaarlijkse loon- en prijscompensatie van de begeleide participatie.  Die jaarlijkse compensatie is tot dusver via een taakmutatie in de diverse circulaires van het gemeentefonds aan ons ter beschikking gesteld.

In meicirculaire 2022 heeft de minister aangegeven dat deze middelen vanaf 2022 niet meer via een integratie-uitkering aan de gemeenten worden overgemaakt maar onderdeel uitmaken van het algemene deel (accres) van de gemeentefondsuitkering. In de besluitvorming over de meicirculaire 2022 is per abuis meerjarig de compensatie voor de begeleide participatie via het algemene deel van de gemeentefondsuitkering niet doorgesluisd naar de budgetten voor begeleide participatie. In deze begroting vindt de toevoeging van de compensatie vanuit het Rijk naar het desbetreffende budget voor begeleide participatie alsnog meerjarig plaats. 

5.a   Realistische raming jeugd
Voor de ramingen van de jeugdbudgetten is het uitgangspunt ‘zo realistisch mogelijk ramen van de budgetten’ gehanteerd. Hiervoor is als basis de huidige prognose genomen, zoals die is opgenomen in de 2e bestuursrapportage 2022. Vervolgens is kritisch gekeken naar mogelijke realisatie van de meerjarig opgenomen taakstellingen (ca. 50% is naar verwachting realiseerbaar), er is rekening gehouden met een volumestijging vanaf 2023 met 1,65% en de aanvullende kortingen vanuit het Rijk vanaf 2024 (op basis van het coalitieakkoord). Op grond van deze ontwikkelingen is een stijging van de jeugdbudgetten oplopend van € 867.000 in 2023 naar € 2.117.000 in 2026.

5.b Extra Rijksvergoeding Jeugdzorg (25%)
Vanuit het ministerie is, na overleg met de provincies, aangegeven dat meerjarig de rijksvergoeding voor de jeugdbudgetten op basis van de Hervormingsagenda opgehoogd mag worden naar 100%. In de begroting is op dit moment rekening gehouden met een rijksvergoeding van 75%. Dit betekent dat de inkomsten opgehoogd kunnen worden met € 529.000 in 2024 aflopend naar € 341.000 in 2026.

6. Actualisering kapitaallasten
De volgende oorzaken liggen hieraan ten grondslag:
•    Actualiseren van bestaande activa op basis van de Nota Waardering en Afschrijving;
•    Aanpassing van het huidige MIP 2023-2025 (Meerjaren Investerings Plan): zijn de bedragen nog actueel;
•    Verwerking van de jaarschijf 2026 in het meerjarenperspectief. De investeringen waren reeds opgenomen in het MIP, maar de vorige meerjarenraming liep maar tot het jaar 2025.

7. Stijging energielasten vastgoed
De stijging van de energielasten heeft grote consequenties voor het gemeentelijk vastgoed. In eerste instantie is berekend dat dit een extra last betekent van bijna € 1,5 miljoen. Latere prognoses geven aan dat deze extra last kan oplopen tot wel € 2,3 miljoen. In de begroting is de eerste berekening van € 1,5 miljoen verwerkt; in de risicoparagraaf is er rekening mee gehouden dat de energielasten nog verder zullen stijgen.

8. Volumestijging/ aanpassing tarieven WMO
De budgetten voor de Wmo zijn, naast de reguliere indexcijfers, in deze begroting geactualiseerd met de volgende twee ontwikkelingen:
•    een jaarlijkse volumestijging van 1,65% vanaf 2023;
•    de ophoging van het indexcijfer voor het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) naar 7% op basis van eerder gemaakte afspraken.
Deze ontwikkelingen leiden tot een ophoging van de gemeentelijke Wmo-uitgaven van € 355.000 in 2023 oplopend naar € 1.039.000 in 2026.

9. Rentestijging naar 2,5%    
Een andere tegenvaller is de rentestijging waarmee gerekend moet worden. Momenteel loopt de rente voor langlopende leningen op. Dit heeft consequenties voor de kapitaallasten van nieuwe investeringen.  Voor de begroting betekent dit extra rentekosten op de voorgenomen investeringen van € 400.000 in 2023 oplopend tot ongeveer € 2 miljoen vanaf 2026.

10. Zin-budget jeugd
Berekend is dat het budget ‘Zorg in Natura’ in 2023  naar inschatting  incidenteel moet worden verhoogd met € 1,4 miljoen. Hiervan wordt € 800.000 in de begroting verwerkt; het resterende bedrag van € 600.000 wordt opgenomen als risico in de betreffende paragraaf, aangezien nog niet zeker is dat dit deel van het budget echt uitgegeven zal worden. Ook het Ontwikkelbudget Jeugd/Onderwijs moet met € 40.000 worden aangepast. Daarnaast kan de voorgestelde verhoging van het Projectbudget CJG waarvoor € 150.000 is geraamd, komen te vervallen. Per saldo resulteert dit in hogere kosten van € 690.000.  Bij de Kadernota 2024 wordt nader bekeken of de verhoging van het ZIN-budget nog structurele effecten heeft voor de jaren na 2023.

11. Onderuitputting algemene uitkering (BCF) 
Bij de behandeling van de meicirculaire 2022 is door het college besloten om vanaf 2023 in de begroting rekening te houden met een onderuitputting op de algemene uitkering van € 1 miljoen. Deze onderuitputting is voor een belangrijk deel gebaseerd op de verwachting dat de bijdrage vanuit het btw-compensatiefonds (BCF) aan het gemeentefonds de komende jaren zal afnemen doordat gemeenten meer gaan investeren en dus meer gebruik gaan maken van het BCF. Voorzichtigheidshalve is daarom, zoals hiervoor aangegeven, een bedrag in de begroting als onderuitputting ‘gereserveerd’. 
Recente informatie vanuit het ministerie laat zien dat de bijdrage vanuit het BCF aan het gemeentefonds over 2022 (in lijn met voorgaande jaren) niet is afgenomen, maar juist is toegenomen. Het is daarom aannemelijk dat de verwachte onderuitputting in 2023 voor wat betreft het BCF zich niet in die mate zal voordoen zoals die eerder is geprognotiseerd. We vinden het dan ook verantwoord om de gereserveerde onderuitputting in 2023 van € 1 miljoen met € 500.000 te verlagen naar € 500.000. Bij de opstelling van de Kadernota 2024-2027 zullen we beoordelen in hoeverre de onderuitputting structureel kan worden aangepast.

Ontwikkelingen Sociaal Domein
De laatste jaren is voor wat betreft de uitgaven in het kader van het sociaal domein (Wmo, Jeugd en participatie) ervaren dat de kosten steeds verder opliepen, terwijl het beschikbare budget voor dit doel fors achterbleef bij de uitgaven. Wel is hard gewerkt om de balans tussen kwaliteit, organisatie en financiën van de zorg te versterken.
Bij het Programma 3 (Sociale Leefomgeving) wordt een uitgebreide toelichting gegeven op de ontwikkelingen hierin.

Vertaling groslijst naar de begroting

In de bijeenkomsten met de gemeenteraad op 7 en 14 september jl. is de ‘groslijst’ ter sprake geweest. Het betreft de wensen en noodzakelijke zaken die vanuit het college en organisatie zijn aangeleverd. De lijst is opgenomen als bijlage 6 en is in deze Programmabegroting samen met, waar mogelijk, de input vanuit de bijeenkomsten verwerkt. Omdat er met de kennis van nu, in de jaren 2023 -2025 budgettaire ruimte is en in de jaren daarna niet meer, zijn zoveel mogelijk zaken als ‘incidenteel’ beschouwd voor maximaal 3 jaar. Noodzakelijke uitgaven met een structureel karakter zijn wel opgenomen.

Voor de Programmabegroting 2023 en de meerjarenraming heeft dit de volgende consequenties:

 

Bedragen x € 1.000 2023 2024 2025 2026
Saldo na verwerking richtlijnen en overige zaken 7.372 7.274 8.806 -7.233
Groslijst: incidentele lasten -4.263 -2.266 -2.031 -155
Groslijst: structurele lasten -2.557 -2.687 -2.762 -2.712
Saldo Programmabegroting 2023 e.v. jaren 552 2.321 4.013 -10.100

De uitgaven van de groslijst zijn als volgt per programma te specificeren:

 

Bedragen x € 1.000 2023 2024 2025 2026
Programma 1 Fysieke leefomgeving
• Incidentele uitgaven 1.480 780 545 0
• Structurele uitgaven 390 520 520 470
Programma 2 Economie, werk en ontwikkeling
• Incidentele uitgaven 300 300 300 0
• Structurele uitgaven 47 47 47 47
Programma 3 Sociale Leefomgeving
• Incidentele uitgaven 1.833 611 611 0
• Structurele uitgaven 1.113 1.113 1.113 1.113
Programma 4 Burger en Bestuur
• Incidentele uitgaven 75 0 0 75
• Structurele uitgaven 130 130 130 130
Programma 6 Bedrijfsvoering
• Incidentele uitgaven 495 495 495 0
• Structurele uitgaven 957 957 1.032 1.032
Totaal per programma 6.820 4.953 4.793 2.867

In de betreffende programma’s worden de diverse individuele posten gespecificeerd.

Meerjarig perspectief na 2026

a. Korte schets omstandigheden
De begrotingsperiode omvat de periode 2023 – 2026: de Programmabegroting geldt voor 2023 en de meerjarenraming voor de jaren 2024, 2025 en 2026. Er worden normaliter verder geen (financiële) beschouwingen gegeven over de periode daarna.
Er is nu sprake van bijzondere omstandigheden. 
Uit de kabinetsplannen (troonrede) blijkt dat het Rijk  in 2026 eenmalig extra middelen beschikbaar zal stellen.  In de septembercirculaire zal naar verwachting meer duidelijkheid worden gegeven.

De Programmabegroting betreft het jaar 2023 en de meerjarenraming betreft de jaren 2024, 2025 en 2026. Voor het laatste jaar van de meerjarenraming, 2026, en ook voor de jaren daarna is er grote financiële onzekerheid. Het rijk is voornemens om na het jaar 2025 over te stappen op een andere manier van bekostigen van gemeenten en provincies. De oude systematiek verdwijnt, volgens het coalitieakkoord van Rutte IV, terwijl er nog geen begin is van een nieuw financieringsstelsel. Het gevolg is een levensgroot gat in de gemeentefondsbegroting, resulterend in een megatekort van € 3,9 miljard in 2026 en een verwacht tekort van minstens dezelfde grootte voor de jaren daarna. Mede om die reden is het jaar 2026 omgedoopt tot ravijnjaar. De consequentie is dat we vanaf nu kritisch moeten kijken naar de gevolgen van investeringen en uitgaven: kunnen we de lasten ook vanaf 2026 nog betalen? Om die reden wordt er naast de voorgeschreven meerjarenraming tot 2026 ook een prognose gegeven voor de jaren 2027 – 2030. Inzicht in de meerjarige financiële situatie is nodig  bij de afwegingen bij de besluitvorming over nieuwe uitgaven en investeringen.

Voor de beeldvorming is het financieel perspectief zoals hiervoor berekend is, doorgetrokken naar de periode 2027 – 2030. Dat perspectief (begrotingssaldo) komt er als volgt uit te zien:

 

 

Bedragen x € 1.000 Meerjarenraming Prognose
2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030
552 2.321 4.013 -10.100 -11.968 -11.968 -11.968 -11.968

In de saldi vanaf 2027 zijn begrepen:
•    Verlaging Algemene Uitkering vanwege het voornemen van het Rijk het Fonds met 4 miljard te korten vanaf 2026;    
•    Toename van de investeringslasten uit het MIP tot en met 2026;
•    Stijging van de rente voor financiering van het omvangrijke investeringsprogramma.

Oplossingsrichtingen

In de sessies met de gemeenteraad op 7 en 14 september is een sheet gepresenteerd met mogelijk oplossingsrichtingen om ook vanaf het genoemde ‘ravijnjaar 2026’ tot een sluitende begroting te komen. Gedacht wordt hierbij aan de volgende richtingen.

a. Van incidenteel naar structureel karakter
Hierbij wordt met de inzet van een incidenteel budget of bedrag een structureel effect bereikt.  In de jaren 2024 en 2025 is op dit moment nog financiële ruimte beschikbaar die hier mogelijk voor ingezet kan worden. Voorbeeld: door een investering in duurzame maatregelen van een gebouw wordt een blijvende daling van de energiekosten gerealiseerd. Een deel van het financieel overschot in 2024 en/of 2025 wordt in dit geval gestort in de reserve kapitaallasten, waardoor de komende jaren de lasten van de investering vanuit die reserve kunnen worden gedekt en de exploitatiekosten van het gebouw verminderen door de lagere energiekosten.

b. Het Rijk springt bij in 2026 en verder
De VNG heeft al aangegeven dat er structureel meer geld nodig is voor een verantwoorde uitvoering van de gemeentelijke taken. Het kan niet zo zijn dat het Rijk steeds meer taken overhevelt naar de gemeenten, maar daarbij geen toereikend budget beschikbaar stelt. 
De VNG blijft zich hard maken voor de beschikbaarstelling van meer structurele middelen.

c. Wel startbudget voor grote investeringen maar besluit over investeringen zelf later nemen.
De kapitaallasten van het MIP leggen vanaf 2027 een aanzienlijk beslag op de financiële middelen. In een periode van een teruglopende algemene uitkering geeft dit een behoorlijke beperking van de financiële ruimte. Eventueel kan een heroverweging van het MIP plaatsvinden.
Een andere optie kan zijn: wel een besluit te nemen over het startbudget om onderzoek te doen naar een beoogde investering, waarna de definitieve besluitvorming  dan plaats vindt nadat duidelijk is of het betreffende project daadwerkelijk (financieel) haalbaar is.

d. Gebruik maken van onderuitputting investeringen (incidenteel) en exploitatiebudgetten
In de praktijk blijkt bij de opstelling van de bestuursrapportages en de jaarrekening dat er sprake is van onderuitputting van de investerings-en exploitatiebudgetten. Onderzocht kan worden wat het effect hiervan is.

Elders in deze begroting is uitgezet dat ‘circulair bouwen’ in alle gevallen waar dat mogelijk is, zal worden toegepast. De komende periode zal geprobeerd worden welke consequenties dat heeft inclusief de financiële gevolgen. Ook zal onze accountant worden betrokken bij het onderzoek op welke wijze we de investeringen op basis van circulair bouwen gaan afschrijven.

e. Toepassen financiële beslisboom uit raadsakkoord
In het Raadsprogramma 2022-2025 is bij het onderdeel ‘financiële afwegingskader' de beslisboom uitgelegd. Om de begroting structureel en reëel in evenwicht te houden wordt stapsgewijs beschreven welke stappen worden gezet wanneer de gemeenteraad door financiële beperkingen tot bepaalde keuzes wordt gedwongen. 

De stand van de algemene reserve bedraag momenteel € 30,7 miljoen (na 2e bestuursrapportage 2022). Wanneer onverhoopt de nu opgenomen risico’s toch manifest worden, kan de Algemene Reserve worden ingezet. Hetzelfde geldt voor mogelijke incidentele tegenvallers.

Bij het opstellen van de Kadernota 2024-2027 zal geprobeerd worden meer duidelijkheid te geven over de ontwikkelingen die de financiële positie van de gemeente aangaan. Ook hopen we dat er meer duidelijkheid zal zijn over de ontwikkeling van de Algemene Uitkering.